HET STRAATBEELD
Voor de gewone burger is het straatbeeld het meest dichtbij en zijn de veranderingen daar het meest opvallend; de straat behoort voor het grootste deel van de bevolking tot het dagelijks leven. En die bevolking ziet de opkomst van de auto en het verdwijnen van oudere vormen van vervoer als tram en paard-en-wagen, in de jaren 1950 reeds duidelijk waarneembaar.
Wel zal het ene straatbeeld duidelijker veranderen dan het andere. Het centrum van een grote stad laat meer zien dan een rustige woonstraat in een dorp. Een plein in een provinciestad zit daar weer tussen in.
HET BEELD OP RAILS, OP HET WATER EN IN DE LUCHT
Ook treinen, schepen en vliegtuigen spelen een rol in het snel veranderende tijdsbeeld van na de Tweede Wereldoorlog. Wie -dagelijks of af en toe- iets verder reist dan het eigen straatje, zullen rails, stations, water en havens tot het beeld behoren dat hij of zij in de jaren 1950 in zich opneemt. Het vliegveld blijft in die tijd voor de meesten nog wat verder weg, al is er een groeiend aantal mensen, dat Schiphol bezoekt tijdens een dagje uit. Daarna is ook het beeld van vervoer door de lucht vaak niet meer van het netvlies te branden.
COLLECTIEF BEWUSTZIJN
Het beeld van een tijdperk is altijd sterk indvidueel gekleurd en daarmee voor iedereen anders. Maar na de Tweede Wereldoorlog wordt het vervoer steeds belangrijker en steeds meer "beeldbepalend". Mobiliteit is niet meer uit het nieuws weg te denken en raakt meer en meer in het collectieve bewustzijn van de Nederlander verankerd. Ook bij diegenen, die er niet dagelijks daadwerkelijk of intensief mee worden geconfronteerd.







