MOBILITEIT 1950 - 1970: INTRODUCTIE

De periode 1950 - 1970 brengt ons de welvaartsstaat en hand in hand daarmee, een nieuwe revolutie op transportgebied. De oude zeilvaart verdwijnt, net als de stoomlocomotief. De oceaanstomer legt het af tegen het vliegtuig; het vrachtvervoer over zee groeit onstuimig. De meest opvallende rol is echter weggelegd voor de auto, die voor een ware mobiliteitsexplosie zorgt.
Maar voor het zover is, heeft Nederland nog een oorlog te verwerken.
Het land is zwaar gehavend als in mei 1945 de vrede met Duitsland wordt getekend. Gebouwen en infrastructuur zijn vernield en grote delen van het land zijn nagenoeg immobiel. Er wordt direct een begin gemaakt met het herstel en vanwege het grote economische belang krijgt de wederopbouw van het transport hoge prioriteit. De Amerikaanse hulp in de vorm van het Marshall-plan geeft een flinke impuls; een sterk sturende overheid en een wereldwijd expanderende economie doen de rest.
WELVAARTSSTAAT
Na 1950 breekt dan een boeiende periode aan, met revolutionaire ontwikkelingen op technisch, economisch, politiek en sociaal-cultureel gebied. Met wederopbouw, verzorgingsstaat en welvaartswonder en met een succesvolle modernisering van de Nederlandse samenleving. Premier Willem Drees speelt hierbij in de jaren 1950 een belangrijke rol.
We zien een sterke industrialisering, ruim opgezette, frisse, nieuwe buitenwijken en suburbanisatie; toenemende vrije tijd en zelfs vakantie, de doorbraak van de televisie en de massa-consumptie, een mobiliteitsexplosie en een enorme verruiming van de fysieke en geestelijke horizon. Hoewel de dreiging van een koude oorlog steeds aanwezig is, heerst er optimisme en geloof in de toekomst. Het modernisme grijpt om zich heen.
Maar er ontstaat ook een tegenbeweging die, althans in die tijd, door grote groepen in de samenleving al evenzeer als revolutionair wordt gezien.
TWEEDE TRANSPORTREVOLUTIE
Bracht de industri�le revolutie van de 19e eeuw met de stoomtrein en het stoomschip al een geweldige versnelling van de mobiliteit, na de Tweede Wereldoorlog vindt een tweede transportrevolutie plaats, met name in de jaren 1960. Alleen al het binnenlandse goederenvervoer groeit in deze periode van 185 naar 425 miljoen ton, méér dan een verdubbeling in tien jaar tijd. In diezelfde periode zien we het binnenlandse personenvervoer nog harder stijgen: van 40 naar 100 miljard reizigerskilometers.
Er wordt niet alleen méér vervoerd, maar ook ánders.Oude vervoertechnieken verdwijnen en worden vervangen door nieuwe. Rond 1960 zijn stoom, wind en paardenkracht als krachtbron goeddeels vervangen door verbrandingsmotor en elektriciteit.
MODAL SHIFT
Vervoerwijzen verdwijnen, anderen komen; modal shift heet dat met een duur woord. Wordt in het grootschalige overzeese goederenverkeer het schip steeds belangrijker, in de kleinschalige binnenvaart worden schepen verdrongen door vrachtwagens. Daarvoor in de plaats zien we op de binnenwateren een snel groeiende recreatievaart.
Behalve de kleinschalige binnenvaart, verdwijnt ook het secundaire railvervoer. Personenauto's, autobussen en vrachtwagens zorgen er voor dat eind jaren 1960 van het lokaalspoor en de interlokale tram niets meer over is. Alleen op de echte hoofdlijnen en in stedelijke agglomeraties weet het railverkeer zich met behulp van subsidie te handhaven.
Het overzeese personenvervoer wordt geheel overgenomen door vliegtuigen, die ook in het Europese verkeer steeds meer vervoer naar zich toe trekken. Naast het beroepsmatige verkeer wordt het toeristisch-recreatieve verkeer steeds belangrijker.
DE AUTO
De groei van het verkeer en vervoer gaat in de jaren 1960 dermate snel dat we wel van een mobiliteitsexplosie kunnen spreken. De meest opvallende rol is daarbij weggelegd voor de auto, zeker in het binnenlands verkeer. Dat geldt voor het goederenvervoer, waar tussen 1960 en 1970 het aandeel van de vrachtwagen stijgt van 50 naar 75%, maar meer nog voor het personenvervoer. Hier komt de stijging van het aantal reizigerskilometers geheel voor rekening van het particuliere autoverkeer. De overige modaliteiten (vervoerswijzen) weten zich hoogstens in absolute zin te handhaven. Interessant is, dat gaandeweg de jaren 1960 per auto al meer kilometers recreatief, dan beroepsmatig worden afgelegd.
meer over deze ontwikkelingen >>
Naar de tijdvakken:
- mobiliteit in de tweede helft van de jaren veertig (wederopbouw) >>
- mobiliteit in de jaren vijftig (modernisering) >>
- mobiliteit in de jaren zestig (mobiliteitsexplosie) >>















